VROM - Dossier Wet betaalbaarheidsheffing huurwoningen
Binnenkort behandelt de Tweede Kamer het voorstel voor de Wet betaalbaarheidsheffing huurwoningen. Het wetsvoorstel introduceert een jaarlijkse heffing voor verhuurders van woningen. Door middel van deze wet wil de overheid verhuurders een bijdrage laten leveren om woningen voor mensen met lage inkomens betaalbaar te houden. De Belastingdienst gaat deze heffing innen.Het voorstel voert een zogeheten betaalbaarheidsheffing in voor een deel van
de verhuurders met betrekking tot hun woningvoorraden. De betaalbaarheidsheffing
wordt geheven van verhuurders van zelfstandige woonruimte die 25
woningen of meer verhuren op de peildatum (1 juli van elk jaar), voorzover die
woningen de heffingsgrens, een bij algemene maatregel van bestuur te
bepalen WOZ-waarde, niet te boven gaan. De hoogte van de heffing per
woning wordt jaarlijks berekend aan de hand van de geraamde opbrengsten.
De omvang daarvan wordt bepaald door enerzijds de budgettaire taakstelling
die is gelegd op de begroting van het Ministerie van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) van € 250 miljoen per jaar, welk
bedrag jaarlijks wordt geïndexeerd en anderzijds door de toename van de
uitgaven voor de huurtoeslag die het gevolg is van de geleidelijke liberalisatie
van het huurprijzen. De geraamde opbrengsten zijn voor de jaren 2006–2009 in
het wetsvoorstel zelf opgenomen. Ten slotte wordt voorgesteld om de
mogelijkheid te creëren onder bepaalde voorwaarden een overeenkomst
tussen woningcorporaties tot onderlinge verrekening van de voorgestelde
heffing algemeen verbindend te verklaren.
Betaalbaarheid
De stijging van de huren heeft gevolgen voor het
deel van het netto inkomen dat huurders aan huur kwijt zijn.
De mate waarin verhuurders huurstijgingen doorvoeren is
daarbij relevant. Wel moet bedacht worden
dat de stijging van het deel van het netto-inkomen dat
huurders aan huur kwijt zijn, hoger is als hun woning
geliberaliseerd wordt.
De zogenoemde huurliberalisatie van de duurdere woningen houdt in dat de verhuurder meer vrijheid heeft om de huurprijs en de huurverhoging te bepalen. Dit betekent dat het puntenstelsel en de maximale huurprijsgrenzen niet van toepassing zijn. Bovendien is de verhuurder niet gebonden aan het jaarlijkse maximale huurverhogingspercentage. Geschillen over huurprijzen, huurverhogingen, huurverlagingen, ernstige (onderhouds-)gebreken en servicekosten kunnen, op een uitzondering na, niet voor toetsing aan de Huurcommissie worden voorgelegd (tenzij in de huurovereenkomst uitdrukkelijk is opgenomen dat dergelijke geschillen wél aan de Huurcommissie zullen worden voorgelegd). Geschillen over deze onderwerpen kunnen rechtstreeks aan een rechter worden voorgelegd. Alleen voor geschillen over servicekosten gelden nog normen voor de beoordeling van de redelijkheid van die kosten.
Een huurovereenkomst is geliberaliseerd als het gaat om een zelfstandige woonruimte waarvan bij begin van de bewoning een huurprijs gold die boven de toen geldende liberalisatiesgrens lag. Bovendien moet de huurovereenkomst op of na 1 juli 1994 tot stand zijn gekomen. Een huurovereenkomst is ook geliberaliseerd als deze betrekking heeft op een woning die op of na 1 juli 1989 toegevoegd is aan de woningvoorraad met een huurprijs boven de toen geldende liberaliseringsgrens. (Overzicht van Liberaliseringsgrenzen per jaar)
Bron: VROM
Terug